Wonderkind Verhagen

 

Eind jaren ‘50 van de vorige eeuw waren in Rotterdam de krantenredacties gevestigd in het ongebombardeerde deel van het centrum. Omdat nog maar weinig van de binnenstad overeind stond, zaten ze letterlijk op een steenworp afstand van elkaar. De favoriete pleisterplaats van de pers was café Melief-Bender aan de Oude Binnenweg.

Op een avond in februari 1960 zat een jongeman met krachtige gelaatstrekken en een slank postuur in Melief aan de leestafel. Hij droeg een zwartleren stropdas en een rood vest op een wit overhemd. Hij kwam uit Zeeland. Hij had een eigen jongerenpagina in het AD, die van zich deed spreken. Jeugdcultuur was nog een onbekend fenomeen. Verzet was het stempel van deze ‘Pagina Q’ .

Iedereen in zijn omgeving wist dat de jeugdige journalist ook gedichten schreef. Niet lang daarvoor had hij in de Rotterdamse Kunstkring een optreden bijgewoond van een groep dichters rond het Vlaams/Nederlandse avant-gardeblad gard sivik. Onder hen de boksende schilder-dichter Armando en de rebelse Rotterdammers Cor Vaandrager en Hans Sleutelaar. Tot die mensen werd hij aangetrokken. Hij voelde dat hij met ze te maken had.

In een hoek van het café zaten twee van de drie te drinken en te praten. De dichtersvrienden zagen eruit als autoverkopers - zakelijk in het pak, het haar modieus kort geknipt. Een van hen droeg een baardje en een zonnebril. Hij kwam een krant pakken.

– Meneer Vaandrager?

– Ja?

– Ik ben Hans Verhagen.

Vaandrager wist meteen wie hij voor zich had. Hij volgde de journalistiek. Hans vertelde dat hij met twee gedichten ging debuteren in het tijdschrift Podium, in het komende nummer. Daar stond Cor ook in met poëzie. Ik voegde me bij hen en we raakten al snel in druk gesprek. De sfeer was amicaal. Aan ons tafeltje werd veel gelachen.

Verhagen liet mij, met een kwetsbare glimlach, een gedicht lezen naar aanleiding van de aangekondigde dood van zijn moeder. Zonder acht te slaan op de persoonlijke achtergrond zei ik hem rechtuit wat ik ervan vond.

– Te emotioneel. Te veel adjectieven en poëtische tierelantijnen. Kun je maar beter in portefeuille houden.

Deze onzachte stellingname bezegelde onze verstandhouding. In mijn rol als eerste lezer van zijn dichterlijke voortbrengselen zou de komende decennia geen verandering komen. Ook in tijden van verwijdering bleef hij zijn manuscripten bij mij in de bus stoppen.

Het was een avond vol beloften, eindigend in vrolijke dronkenschap. Ik had een bevlogen jongen leren kennen met eenzelfde passie voor poëzie als die Cor en mij verbond. Aan woorden had hij geen gebrek. Hij was gevat en verlegen tegelijkertijd. Wat mij precies in hem aantrok, kan ik niet zeggen. Het was zijn hele persoon, het ongrijpbare van zijn wezen, de uitstraling van zijn talent.

© 2004 Kaplan
© 2004 Kaplan