Vijftig voorbij

 

De Nederlandse poëzie beleefde na de oorlog tweemaal een scherpe generatiebreuk, de eerste veroorzaakt door de Vijftigers, de tweede door ons, Zestigers. Even radicaal als de Vijftigers braken met de klassieke poëzie, braken wij met de experimentele. Wie een gedicht van Lucebert, Elburg of Kouwenaar legt naast een van Armando, Vaandrager of Verhagen ziet een verschil van dag en nacht. Je kunt hier spreken van twee poëtische systemen die elkaar uitsluiten, en waarin de dichter een volstrekt verschillende rol vervult.

De Vijftigers wilden bijzondere emoties utspreken, die de dichter vond in zichzelf. Het gedicht moest individueel, onnavolgbaar zijn. Zij waren op jacht naar het eenmalige – in omgekeerde richting. Wij stelden ons tot taak de gewone menselijke emoties te gebruiken en die tot poëzie te verheffen. Het unieke van een gedicht lag voor ons niet in de expressie van een persoonlijkheid, maar in de verwoording van iets buiten hem, dat groter is dan hij. Voor ons ontleende de poëzie haar glans aan een onpersoonlijke, artistieke emotie, die de persoonlijke te boven gaat.

In de Nieuwe Poëzie lijkt de persoonlijkheid van de dichter vaak volledig uitgeschakeld, maar dat is niet zo. De dichter is onzichtbaar aanwezig, als de politie in een stad – overal en nergens. Zijn stof vindt hij niet in zichzelf, maar om zich heen. Hij gaat de wereld in en observeert die. Zijn interesse is totaal, zijn materiaal onuitputtelijk.

 

De Vijftigers bedienden zich van een gekunstelde, poëtische taal. Zij wantrouwden de gangbare betekenis van de woorden. De Zestigers bezigden een natuurlijke, prozaïsche taal. Zij vertrouwden op de werking van het geijkte woord. Daarmee maakten zij de breuk tussen woord en betekenis, oorzaak van zoveel onleesbare poëzie, ongedaan. Hun woord zegt wat het is en staat niet voor iets anders.

Zij begrepen dat het blanke vers zich alleen kan handhaven als het rust op een stevig gebinte. Om aan die poëtische eis te voldoen, herstelden zij met vaste hand het logische verband van de volzin. Zodoende verzoenden zij de verbeelding, die in de ongebonden versvormen van hun onmiddellijke voorgangers teugelloos was, weer met de rede. Het cement van hun poëzie is niet associatie, maar precisie.

 

Al deze fundamentele veranderingen steunden op een andere: de vervanging van de dichterlijke taal door de moerstaal. Deze stap was een noodzakelijk gevolg van de impasse waarin de Nederlandse poëzie zich na het bewind van de Vijftigers bevond.

De spontaneïteit van de experimentele poëzie was precies wat haar bedreigde – een valkuil voor dodelijke herhaling. Toen de Zestigers aantraden, was de spontane ontlading evenzeer verdacht geworden als de traditionele vorm. Onder die artistiek uitgeputte omstandigheden stond hun maar één weg open: de omgangstaal weer sprekend en vibrerend maken. En dat is wat zij deden.

 

De dichterlijke canon van De Nieuwe Stijl omvat circa 250 bladzijden poëzie, waarin het wit domineert. Het paginawit is tot stijlmiddel geworden. De spaarzame regels eisen de volledige aandacht van de lezer. Op zijn beurt verplicht de dichter zich nauwkeurig en belangwekkend te zijn. Het wit onderstreept het gebod dat de poëzie met elk gedicht opnieuw moet beginnen.

Maar waar het werkelijk om gaat, is wat dit wit verzwijgt. Deze sobere, gereserveerde poëzie neemt een stilte in acht die meer uitdrukt dan er geschreven staat. Het wit verwijst naar het leven, waarvan het gedicht een flits is. De dichter spreekt niet alleen door wat hij zegt, maar vooral door wat hij is.

 

(1989)

© 2004 Kaplan
© 2004 Kaplan