Uitzicht op zee

 

Onder een wolkenloze hemel, in de zomer van mijn leven, zette ik mijn eerste stappen in de kustplaats Z. Nu zou ik terugdeinzen, toen was ik opgetogen. Een Tiroler blaaskapel in Lederhosen speelde met verhitte koppen polka’s en marsmuziek. Een kleine dikzak vuurde zijn mannen op soldateske wijze aan. Uit volle borst stortten zij zich in de ongelijke strijd met het kermislawaai uit aanpalende attracties. Enkele paren op leeftijd waagden een stram dansje.

Mijn oudere vriend Armando had mij, met zijn aanstekelijke interesse voor alles wat Germaans en plebejisch was, die middag meegetroond. Niet dat ik een afkeer had van de mensenzee. Jaren eerder was mijn aangeboren afzijdigheid al omgeslagen in een besef van algehele lotsverbondenheid. Graag nam ik een bad in de menigte. Maar in weerwil van die openlijke verering voor het volk (niets politieks), koesterde ik jegens het strandvertier zo mijn bedenkingen.

Vast een overblijfsel uit de zwarte jaren vijftig. Toen droeg je een zonnebril niet overdag, als de zon scheen, maar ’s nachts, in het schemerduister van rokerige lokaliteiten, waar nooit een zonnestraal binnendrong. Trouwens, al dat blote mensenvlees leidde volgens mij alleen maar af van wat er in de mensen omging. Armando woof ook die ultieme tegenwerping weg.

- Kom op, Sleut. Als je te veel denkt, word je gek, hield hij mij voor. Daar had ik niet van terug.

Eenmaal in Z. gaf ik mij zonder aarzelen over aan de zorgeloze saamhorigheid die onder badgasten heerst zolang het weer dat toelaat. Een verkoelend windje blies het laatste restje zwartgalligheid van vroeger uit mij weg, het binnenland in. Het aanzicht van de kustplaats zelf maakte op mij weinig indruk. Een stijlloos allegaartje van bakstenen burgermanspaleisjes aan de voet van een reusachtige betonnen blokkendoos – droom van een horeca-tycoon.

Een nederzetting die een kwartje wilde zijn en duidelijk voor een dubbeltje geboren was. Maar was ik dat ook niet? En hoevelen niet met mij? Zonder dat ik het wist, was mijn lot bezegeld. Twee jaar later kwam ik opnieuw in Z. terecht, nu om er te wonen.

‘Uitzicht op zee’ luidde de advertentietekst waarvoor ik zwichtte. Een magisch argument van universele draagwijdte. Overal houden mensen ervan over zee voor zich uit staren. Sterker, ze betalen er graag voor. Wat is dat toch? Welke kuren vertoont het hart hier? Daarvan hebben alleen de dichters weet. ‘O, het grote genot je blik in de onmetelijkheid van de hemel en de zee te verdrinken!’ roept Baudelaire uit. Het woord van een oude Chinese collega komt dichter in mijn buurt: ‘Soms zit ik en denk ik, maar meestal zit ik alleen te zitten.’

Misschien had ik een stille hoop mij, uitkijkend over zee, te oefenen in de kunst minder en minder belang te hechten aan de dingen. O, heilige onnozelheid! Voor verheven doeleinden was Z. wel het laatst aangewezen oord op het westelijk halfrond.

Overal waar je keek, was je omringd door de tekenen van het grofste winstbejag. Ik geef toe, er werden geen doekjes om gewonden. De gepensioneerde hoer die mijn bovenbuurvrouw was, had, ook toen ze haar schaapjes op het droge wist, haar helse charmes niet laten varen. Elders in het flatgebouw huisde een dure jongen van de vlakte, die in zijn jeugd getroffen was door kinderverlamming. Op een zomerse dag schoot hij een rivaal overhoop in zijn strandstoel. In de rug. Zo was er altijd wel wat in Z. en zelden iets goeds. Of ’t moest het wilde spel der elementen zijn, de eentonige melodie van de branding, de majesteit van de deinende zee, het nietige zeil aan de horizon...

Twee zomers en winters heb ik in Z. gewoond. Ook in mijn persoonlijke leven woedde menige storm. Ontgoochelingen kondigden zich aan. In een poging mijn huwelijk te redden vestigde ik mij in Amsterdam. Als souvenir aan mijn verblijf in Z. bewaar ik een stuk wrakhout ter grootte van een zakspiegeltje, glad gepolijst door de golfslag. Evenals de vinder ooit daar aangespoeld, opgeraapt en om onduidelijke reden bewaard gebleven.

© 2004 Kaplan
© 2004 Kaplan