Totale poëzie

 

Wanneer mij de regel "Wollt ihr die totale Poesie?" inviel, wil me niet te binnen schieten. Het moet geweest zijn in de winter van 1965, want het tweede deel van De Nieuwe Stijl zou het voorjaar daarop verschijnen en ik was laat met mijn bijdrage.

In die tijd kwam onze Bende van Vier een avond in de maand in Amsterdam bij elkaar in een bovenzaaltje van hotel De Pool, dat uitkeek op het Damrak. Het ging er zakelijk aan toe. Het besluit het komende deel te openen met mijn bijdrage, was snel genomen. Op die plaats zou dit monostichon zijn uitwerking niet missen, dat stond als een paal boven water. Dat het zou voortleven, kon niemand vermoeden. Het heeft me meer dan eens verbaasd.

 

De regel had, wat je noemt, momentum. Hij werkte als een toelichting op de rest van het boek en vatte samen wat ons bezielde en verbond. Er spreekt uit de vraag een oneindig verlangen.

De nadruk valt op het woord totale. Er ligt zowel een uitdaging als een waarschuwing in besloten. Ihr kun je schamper opvatten, maar ook monumentaal. Jullie omvat hier immers allen.

Er bestaat verder een heimelijk verband tussen het doelwit van Goebbels, den totalen Krieg, en het mijne, die totale Poesie. De mateloze brutaliteit van de machtsspreuk veroorzaakt een schokeffect.

Het onderwerp van het gedicht laat zich niet verwoorden. Het is het leven zelf. Er is een zwijgende dichter aan het woord. Hij is een naamloze. Hij kan iedereen zijn.

 

(1975)


© 2004 Kaplan
© 2004 Kaplan