Eensgezind oproeien tegen de vergetelheid

 

Eind 1959 was ik, na een telefoontje van Armando, ineens medewerker van de Haagse Post. Behalve advertentieteksten voor rookworst, margarine en waspoeder, had ik nooit een letter voor een krant geschreven. Wat wist ik van journalistiek? A. wuifde mijn bezwaren kortaf weg. Nieuwsgierigheid, daar ging het om. En of ik maar dezelfde week wou beginnen.

Eenmaal in actie, viel ik van de ene verbazing in de andere. Ik kreeg als bij toverslag toegang tot de wereld, die grote onbekende. Na het uitspreken van de magische woorden Haagse Post stonden wildvreemden mij bereidwillig te woord. Deuren gingen voor mij open. Ik kwam terecht op plaatsen waar ik anders geen voet zou hebben gezet, in aanraking met mensen die ik nooit zou hebben ontmoet.

Armando stuurde mij af op dichters en denkers, naar jazzconcerten en theatervoorstellingen; maar ook naar beroemdheden van aardser kaliber, zoals oplichters, en naar volksere evenementen als bokswedstrijden. Ook deed ik, in opdracht van Jan Vrijman, wel verslag van troebelen in het binnenland: een domineesrel in de Alblasserwaard, een oproer van taxichauffeurs in Rotterdam. Of ik ondervroeg een slachtoffer van de gevreesde haringworm.

Op hun aanwijzingen oefende ik mij in wat toen die monkelende, epithetonrijke, met feiten en feitjes gestoffeerde HP-stijl was. Het werd mij al snel duidelijk dat een nieuwsfeit iets heel anders is dan een voldongen feit. Ik kreeg door dat het meeste van wat er gebeurt niet in de krant staat, terwijl het meeste van wat in de krant staat zó niet is gebeurd.

 

HP was toen een weekblad op tabloidformaat van anarcho-liberale signatuur. De dagelijkse leiding was in handen van Sylvia Brandts Buys, de even geestrijke als grillige partner van mr. G.B.J. Hiltermann, die in naam hoofdredacteur was; hij genoot landelijk bekendheid als commentator van de toestand in de wereld voor de Avro-microfoon. Zijn bemoeienis met de krant beperkte zich voornamelijk tot het wekelijkse hoofdartikel.

Het blad kende geen vaste hiërarchie in zwaarte van de onderwerpen. Het alledaagse verdiende niet minder aandacht dan het onalledaagse, het onaanzienlijke niet minder dan wat in aanzien staat. De grenzen tussen landspolitiek, dorpsleven, misdaad, kunst, sport of economie waren vlottend. Specialisatie werd niet als een pre gezien.

De HP-verslaggever had interesse voor letterlijk alles wat er in de buitenwereld gebeurt. Hij bezat een kien oog voor de ongerijmdheden van het leven. Zelf bleef hij de afwezige waarnemer. Zijn artikelen werden niet ondertekend. Hij maakte zich ondergeschikt aan het onderwerp en aan de formule van de krant. Zijn toon was deadpan. Hij bewaarde op papier een stalen gezicht. Opvallend was zijn geamuseerde aandacht voor minutieuze bijzonderheden bij een overigens beknopte stijl van schrijven.

 

De onthechte kijk op het perswezen die ter redactie bestond, voorkwam dat wij onze journalistieke bezigheden al te ernstig namen. Leven moest geen werken worden. Schrijven, dat was meer iets dat erbij kwam. Maar eenmaal achter de schrijfmachine, in het uur van de waarheid, ploeterden deze dagdromers wekelijks onder kaal lamplicht tot diep in de nacht.

HP werd toen, behalve door een kleine kern van ervaren journalisten, volgeschreven door een zooitje ongeregeld, bestaande uit gesjeesde studenten, losbollen van goede komaf, spotgeesten, melancholici en aankomende dichters. Wat dit volkje verenigde, was de gave van het woord. Wie het daaraan schortte, zocht bijtijds een ander heenkomen. Anderen scherpten hun pen voor een loopbaan in de journalistiek. Voor een paar betekende het krantenbestaan meer. Een verhevigde vorm van leven, een spel, een inspiratiebron voor kunst. Deze laatsten zagen, hongerig naar ervaring, alle ervaringen als iets goeds. Wij leefden onder hoogspanning, in voortdurende opwinding. Van wat er toen in Nederland bij elkaar werd gedicht en gepenseeld waren we niet erg onder de indruk. Dat alles verbleekte bij wat we om ons heen hoorden en zagen.

Onze artistieke agitatie werd veroorzaakt precies door wat we in de geaccepteerde kunst van die dagen misten – vitaliteit. Voor ons gevoel waren leven en kunst van elkaar vervreemd. Onze inzet was die twee weer te versmelten. Wij probeerden werkelijkheid te doen overgaan in kunst en kunst in werkelijkheid, een poging die, hoewel tot mislukken gedoemd, steeds opnieuw moet worden gewaagd. Daarin ligt de waarheid van De Nieuwe Stijl, van elke nieuwe stijl, besloten.

 

De HP-school stal in de eerste helft van de jaren zestig de show in de vaderlandse publicistiek. Het weekblad stond open voor wat nieuw en oorspronkelijk was. Deze onvooringenomen mentaliteit opende een venster op de wereld, dat in de rest van de opiniepers met kranten was dichtgeplakt. Dankzij de gouden pennetjes van de rond ‘mevrouw BB’ verzamelde talenten was de Haagse Post veruit het leesbaarste persorgaan van die dagen.

Om de krant hing een geest van onbevangenheid en jeugdige overmoed. Iets kwajongensachtigs. Tussen 1960 en ‘65 werden, in tabaksrook en bij het gerinkel van glazen, nieuwe ideeën geboren over de kunst en de inrichting van de wereld. In de jaren daarop vonden die denkbeelden toepassing en navolging. Maar de vonk die het vuurwerk ontstak, was op dat moment al gedoofd.

Sinds de schoolbanken ben ik altijd met blaadjes en bladen in de weer geweest. Een journalist heb ik me evenwel nooit gevoeld. Mij trok in die afgetrapte redactielokalen de omgang met gelijkgezinden. Ik hou van verbondenheid. Niets is in mijn ogen zo verwerpelijk als wat mensen verdeelt. Reden waarom ik, hoewel graag alleen, gesteld ben op samenwerking met anderen. Eensgezind oproeien tegen de vergetelheid, de vergeefsheid ervan – het heeft voor mij iets onweerstaanbaars, iets moois.

© 2004 Kaplan
© 2004 Kaplan