Polet’s alpinopet

 

Op een dag liep ik op de Overtoom de dichter Sybren Polet en zijn vrouw Cora tegen het lijf. We raakten aan de praat. In de gard sivik-dagen kwam ik, alleen of met Vaandrager, wel bij hen over de vloer in de Hobbemastraat. Wij vonden hem destijds de interessantste modernist onder de Vijftigers. Cor's poëziedebuut vertoont enige invloed van hem en Polet was een van de weinigen die de bundel gunstig besprak. Verwijdering trad in, toen hij ons op een middag voorstelde een wandeling te maken in het aangrenzende Vondelpark.  

Of het vergeetachtigheid was, weet ik niet, maar tot onze verbazing hield hij tijdens dat ommetje zijn pantoffels aan. Dat was nog tot daaraantoe, als het schoeisel niet van de allerlulligste soort zou zijn geweest. Van die goedkope, geblokte HEMA-pantoffels. Een alpinopet completeerde zijn verschijning. Cor en ik escorteerden onze letterheld met plaatsvervangende schaamte. In onze ogen viel hij die middag van zijn voetstuk. De jeugd is wreed.

Bij het treffen op de Overtoom monsterde ik onwillekeurig zijn voeten. Geen pantoffels ditmaal, maar een paar sandalen van het geitenharensok-model. In het vuur van het gesprek beriep ik mij op de ziel, of beter het gebrek daaraan in de moderne poëzie. Hij viel even stil en keek mij bestraffend aan. Ook zijn vrouw leek pijnlijk getroffen. Hoe kon ik dat woord in de mond nemen? Wist ik dan niet dat de ziel domweg niet bestond? Tegen zoveel grofstoffelijkheid was geen kruid gewassen. 'O nee?' riep ik het verlichte echtpaar toe, 'sla de Van Dale er maar op na!', en haastte me om de tram te halen.

© 2004 Kaplan
© 2004 Kaplan