Kan rijm nog?

 

Rijm werkt direct in op het brein en nestelt zich daar. Voor even of voorgoed. Het wezen van het rijm ligt in de opwelling. Een goed rijm komt als geroepen. Het was er altijd al, alleen niet eerder opgeschreven.

Talrijk zijn in alle tijden de verzen die onterecht voor poëzie doorgaan, louter omdat ze rijmen. Het rijm verhult de zwakheden van een dichter, en onthult ze tegelijkertijd.

Elk rijm, hoe banaal ook, is magisch. Dit komt uit de volksmond:

 

Moeder zat aan tafel

Vader liet een scheet

Jantje wou hem pakken

Maar hij was te heet

 

Het rijm lijkt populair, en niet alleen bij hen die rouwen of verliefd zijn. Dichters van alle leeftijden; rappers en andere podiumpoëten; de vocale trapezewerkers van het light verse; hobbyende poëzievertalers; de Dichter des Vaderlands – wie rijmt er eigenlijk niet?

Toch zal je het dichtersvolk de kost moeten geven dat het rijm mijdt als een besmettelijke ziekte. Of het afdoet als een lachertje. Koning Oubol, ja, die rijmt. Een dichter van deze tijd beoefent het vrije vers. Gebonden poëzie is voor de modernist een gepasseerd station.

 

De eersten in ons land die er zo over dachten, waren de Vijftigers. Zij schaften de klassieke poëzie gewoon af. Per spandoek. Wat bracht hen op dat idee?

In de oorlogsjaren sukkelde de jongerenpoëzie door in futloze sonnetten en hol klinkende geuzenliederen. De enige die uittorent boven een stoet van dwergen is Gerard den Brabander. Zet daar het avontuurlijke vers libre tegenover, dat tussen de wereldoorlogen de rest van Europa had veroverd en nu in verduisterd Nederland, bij carbidlamp of kaarslicht, een nieuwe generatie dichters het hoofd op hol bracht.

Niet wat je noemt een moeilijke keus.

Het vrije vers, ontstaan in Frankrijk, gaf in de eerste helft van de twintigste eeuw in de Westerse poëzie de toon aan. Aan het Nederlandse dichtersgilde ging deze nieuwlichterij voorbij, een paar waaghalzen uitgezonderd. Bij ons bleven rijm en metrum oppermachtig.

De Vijftigers hadden na de bevrijding dan ook het een en ander in te halen. En ze hadden haast. De roep om vernieuwing klonk op elke straathoek. De druk van het bestaande werd, ook buiten de kunst, als onverdragelijk ervaren. Heel de op klassieke leest geschoeide poëzie belandde na 1950 op de mestvaalt van de geschiedenis, waar het lijk van de figuratieve kunst al langer lag te rotten. Dichters van klassieke poëzie werden weggehoond. Rijmratten noemde Lucebert ze.

Sinds het optreden van de Vijftigers geniet het rijm bij de avantgarde, of wie ervoor doorgaan, een afschrikwekkende reputatie. Rijm is een symbool van taalbederf. De dood in de pot. Een afgestorven conventie. Rijm is reactionair. Studentikoos. Een strohalm voor talentlozen. Rijm is goedkoop. Gezocht. Onecht. Leugenachtig. Rijmen zijn op hun best speelgoed voor taalvirtuozen; garnituur voor laf smakende woordsalades; nepjuwelen voor poseurs.

 

In de poëzie van de oudere meesters liet de rabiate verwerping van het rijm door Vijftig, en van de verskunst waarvan het sinds eeuwen de hoeksteen was, geen noemenswaardige sporen na. Zij werkten soeverein door in klassieke trant.

Nijhoff ging in 1953 dood. Bloem bundelde in 1957 zijn laatste schaarse verzen in het onvergetelijke Afscheid. Achterberg verraste in dat jaar met Spel van de wilde jacht, waarin hij zich van een speels-malicieuze kant liet zien. En Roland Holst kwam in 1975, een jaar voor zijn dood, met zijn meest uitgebeende werk onder de titel Voorlopig. Hij was 87.

Ida Gerhardt schreef tussen 1950 en 1990 het leeuwendeel van haar weerbarstige oeuvre. Alleen Vasalis gaf er na Vergezichten en gezichten (1954) de brui aan, ontmoedigd door het polemisch geweld dat Vijftig ontketende.

Achterberg, Bloem, Gerhardt en Vasalis zijn sinds decennia met afstand de meest gelezen Nederlandse dichters van de twintigste eeuw. Hun poëzie is permanent in druk. Hun verkochte oplagen lopen in de tienduizenden. Uit de beleving van het brede poëziepubliek is het klassieke, rijmende vers dan ook nooit weggeweest. Wel verdween het rijm uit het werk van jongere generaties. Beter gezegd: het dook een tijdlang onder.

Maar het bloed kruipt waar het niet gaan kan. Vanaf het midden van de jaren zestig begonnen jonge dichters, al dan niet schoorvoetend, het rijm weer in gebruik te nemen. Daar kwamen moed en talent bij kijken. Moed om heersende opvattingen aan je laars te lappen. Talent om het rijm nieuw leven in te blazen.

De herontdekking van het rijm ging niet gepaard met spandoeken of trompetgeschal. Het was een geleidelijk proces van tasten en zoeken. Klank, toonaard, ritme moesten niet herinneren aan de oude doos. Het was zaak de lezer niet bij voorbaat van je te vervreemden.

Een enkeling maakte van anachronisme juist zijn handelsmerk. De meesten bedienden zich zonder ophef van overgeleverde vormen, terwijl ze die tegelijkertijd hernieuwden. Zij pasten de prosodische regels niet gehoorzaam, maar scheppend toe. Rijmen werden verdoezeld, versvoeten verkort, cesuren kwamen niet waar je ze verwachtte. De dichter stapte binnen een en hetzelfde vers soepel over van berijmde op rijmloze regels en omgekeerd. Dergelijke ingrepen gaven een indruk van nonchalance, van terloopsheid. De dichter wilde binnen gebonden vormen ongebonden lijken.

De terugkeer van het rijm in de Nederlandse poëzie is een blijk van vitaliteit waar dichters uit andere taalgebieden jaloers op kunnen zijn. Elders trad door het consequent verwerpen van het rijm, uit onmacht om het te hervormen, een langdurige verschraling op; die is onze poëzie bespaard gebleven.

 

Rijm vraagt van de dichter gehoorzaamheid. Zijn eigen ik vervluchtigt als het ware door het rijm. Wie rijmt, doet een beroep op een ander. Hij respecteert de rechten van de lezer. Hij spreekt de taal van de duidelijkheid.

Klare taal is niet iedere poëet gegeven. Velen van hen moeten er niks van hebben. Zij geven de voorkeur aan verhullend parlando en versleutelde beeldspraak; aan bizarre fraseologie; aan kop- en staartloze woordclusters. De duistere poëzie puilt de schappen uit. Hoe zou dat komen?

Volgens de een schrijven dichters moeilijke verzen ‘omdat de werkelijkheid complex is’ (Ilja Leonard Pfeijffer). Een ander beweert dat de expressiemiddelen versleten zijn en dat poëzie daarom, net als de rest van de kunst, ‘neigt naar een eigen onmededeelbare wereld’ (E.M. Cioran). Daar kopen we weinig voor.

Duisterheid in de poëzie heeft, in vele gradaties, altijd bestaan. Het mysterie maakt onvervreemdbaar deel uit van alle verskunst die de naam poëzie verdient. Wat het ene vers tot gedicht maakt en het andere niet, is al een geheim op zich.

We moeten onderscheid maken tussen twee soorten duistere poëzie. De ene soort komt voort uit een tekort aan gevoelens en gedachten, die vervangen zijn door woorden. De andere soort ontstaat uit een overvloed aan gevoelens en gedachten, en de ontoereikendheid van woorden om ze uit te drukken.

Gewild of ongewild duister, dat is de vraag.

Duisterheid in de kunst is doorgaans een teken van verval. Omstreeks 1900 verkeerde de Europese poëzie in een malaise, die een jaar of twintig duurde. Het modernisme werd geboren. Daarmee kwam een eind aan de alleenheerschappij van de romantische school (naturalisme en symbolisme zijn loten van dezelfde stam).        

Een eeuw of daaromtrent later treedt een vergelijkbare poëtische inflatie op. Nu gaat het om de hegemonie van het modernisme. De bloeitijd van het vrije vers is voorbij. De creatieve tsunami waartoe het inspireerde, is in zijn tegendeel verkeerd: een rots van steile orthodoxie. Liep de sonnettencultus van Tachtig uit op onleesbare retoriek, de cultus van het vrije vers dreigt net zo te eindigen – in betekenisloze woordkunst.

De wedergeboorte van het gebonden vers is een reactie op de doorgeschoten vormeloosheid van zijn tegenvoeter. Je kon erop wachten. De wisselwerking van traditie en vernieuwing is als eb en vloed. De fijn bewerktuigde dichter roeit bij voorkeur tegen het tij in. In een teugelloze, subjectieve tijd als de onze zal zijn werk juist objectieve trekken en vormtucht vertonen. Hij gebruikt de woorden, naar het parool van de Russische acmeïsten ‘met dezelfde stabiliteit en eenvoud als de balken van een bouwstelling’.

 

(2005)

© 2004 Kaplan
© 2004 Kaplan