Jan Cremer en ik

 

Jan Cremer heb ik leren kennen in de loop van 1959. Hij was negentien, ik vierentwintig. Van die eerste ontmoeting is mij vooral de eigenaardige manier van praten bijgebleven, die hij er toen op nahield. Voor het aaneenrijgen van volzinnen scheen hem het geduld te ontbreken. Hij stootte nu en dan kortaangebonden keelklanken uit. De betekenis daarvan verduidelijkte hij met een bruuske hoofdbeweging of een heftig gebaar. Uit zijn hele manier van doen, joviaal en schuchter tegelijk, sprak een onbestemde rusteloosheid.

Hij was in die dagen niet alleen lastig te verstaan, hij zei ook niet veel. De prater en verteller zonder weerga, waarin hij zich zou ontpoppen, hield zich nog schuil achter het schilderslinnen. Hij liet zich gelden met verf en kwast. Zijn doeken hadden een ruig, agressief karakter. Het geweld dat hij er op losliet, was zijn thema.

Hij noemde die schilderijen in krom Frans ‘peinture barbarisme’, zichzelf Het Woeste Beest. Hij gedroeg zich als de lompe schilder, die overal maling aan had. Het stijve Den Haag, waar hij zijn atelier had, raakte niet over hem uitgepraat. In de plaatselijke artiestenwereld ging hij door voor een dommekracht, maar eentje met het hart op de juiste plaats.

 

Twee zomers later sloeg hij op Ibiza zijn eerste grote slag als schilder. Zijn tentoonstelling daar was meteen bij de opening uitverkocht. Voor het eerst lachte het geluk hem toe. Ongemerkt werd hij spraakzamer. Wat hij aan verbazingwekkende gaven van het woord in huis had, bleek niet lang daarna.

Op een dag kwam hij aanzetten met een paar getypte verhalen. Zonder er iemand in te kennen, was hij in de stilte van zijn finca gaan schrijven. Wij, zijn literaire vrienden Vaandrager en ik, waren eenstemmig in onze lof. Wat een scherpte, wat een vaart, wat een kracht!

Het kostte hem twee jaar om zijn eerste boek op papier te krijgen. Geldgebrek was het struikelblok. Aan zijn werkkracht lag het niet. Ik schat dat hij alles bij elkaar zes maanden over het vierhonderd pagina’s tellende manuscript van Ik Jan Cremer heeft gedaan. De eerste druk verscheen in het voorjaar van 1964. Het succes was onmiddellijk en duizelingwekkend, in het bijzonder voor de hoofdpersoon.

In de eerste roes daarvan trof hem een nekslag. Een mengeling van ongeloof en naijver maakte dat zijn auteurschap door een deel van de kritiek werd betwist. Anderen, onder wie ik, zouden hebben meegeschreven. Ontkennen baatte niet. Het gerucht liet zich niet ontzenuwen. De ongeletterde schilder speelde de welbespraakte schrijver parten. Hij deed alsof het hem niet deerde.

 

In een paar zorgeloze seizoenen op Ibiza waren wij nader tot elkaar gekomen. Terug in Nederland zag ik hem, schreef of belde hij elk jaar wat vaker. Onze omgang vond zijn aanleiding in de schrijverij, maar was van meet af aan onliterair van aard; eerder alledaags, praktisch, persoonlijk. Als ik hem toen of later al eens literair raad gaf, dan gebeurde dat tussen de bedrijven door. Hij had aan een half woord genoeg. Wat ik ook aan zijn schrijven heb bijgedragen, woorden zijn het zeker niet geweest.

Niet het feit, maar de snelheid en de omvang van zijn literaire succes overvielen hem. Zijn triomf op de vijandige buitenwereld overtrof zijn stoutste dromen. Dat verdubbelde zijn energie, maar het verontrustte hem ook. Hij stortte zich in zijn rol als celebrity. Een verlangen naar onbegrensde vleierij nam bezit van hem. Zijn honger naar publiciteit leek onverzadigbaar. Zelfbevestiging van de laagste soort schuwde hij niet. Ik vond dat goedkoop. Later heb ik begrepen dat het niet anders kon. Publieke aandacht was zijn verweer tegen de naamloosheid, die hij uit ervaring vreesde.

Roem was wat hem interesseerde, rijkdom zei hem weinig. Hij joeg het geld er doorheen met hetzelfde gemak als waarmee het binnenstroomde. Hij hield ervan het lot te tarten. Daarbij, had hij zich niet beter gevoeld toen hij nog berooid was en een vagebond? Voordat hij zich na een jaar of wat in die hoedanigheid terugvond, verloor hij een tijdlang zijn hoofd. Hij raakte zo hevig door zichzelf verblind, dat alles wat hij zei hem trof met de kracht van de waarheid. Dikwijls, maar niet altijd, wàs het ook de waarheid.

 

Zijn omgeving, onvoorbereid op zijn komeetachtige opkomst, begon hem te vervelen. Nog geen half jaar na zijn spectaculaire debuut hield hij het voor gezien. Hij vertrok naar New York, vierentwintig en reikhalzend naar wereldfaam. In de indian summer van 1966 nam ik mijn intrek in zijn appartement in het Chelsea Hotel aldaar. Mijn opdracht was een vervolg op Ik Jan Cremer uit zijn handen te krijgen. Van sterallures had hij geen last. Hij zat financieel aan de grond en had sinds dat boek, behalve een pak aantekeningen, geen letter geschreven.

Ik had mezelf er aan gewend mij nergens over te verbazen waar het hem betrof. Maar na drie, vier werkeloze weken begon mijn geloof in de onderneming te tanen. Om de paar dagen boekte ik ’s morgens een retourvlucht, die ’s avonds weer werd afgezegd. Toen presteerde hij het schier onmogelijke. In de laatste drie weken van mijn verblijf schreef hij zijn tweede boek, honderd pagina’s dikker en in een aantal opzichten beter dan het eerste.

 

Door de jaren heen heb ik met lange tussenpozen en onder uiteenlopende omstandigheden maanden met hem onder één dak gewoond. Opgeteld komt het neer op zo’n jaar. Om die reden denk ik genoeg van hem te weten voor een korte karakteristiek van zijn veelkantige persoonlijkheid.

Bravoure is nooit zijn zwakke punt geweest. Als opsnijder stak hij in zijn jonge jaren de Baron van Münchhausen naar de kroon. Toch is hij buitengewoon bescheiden. Zelfvoldaanheid is hem vreemd, zelfs wanneer hij reden heeft ingenomen te zijn met zichzelf. Deze bescheidenheid is echt. Zij komt voort uit zijn verering voor de kunst en de literatuur, en uit een eeuwige twijfel aan zichzelf.

Om als avonturier te overleven, zag hij zich vaak gedwongen waarheid en verdichtsel te vervlechten. De zorgeloosheid waarmee hij mensen van alles wijsmaakte, was verbluffend. Dat iemand hem op een leugen zou kunnen of willen betrappen, kwam geen moment bij hem op. Toch heeft hij voor de waarheid een heilig ontzag. Al heeft hij veel onwaarheden verteld, tot liegen is hij niet in staat.

Hij beschikt over een grote tegenwoordigheid van geest. Hij weet zo van het toeval te profiteren, dat het is alsof hij het voorzien en veroorzaakt heeft. Gedreven door een regelrecht en schaamteloos eigenbelang, maakt hij kwistig gebruik van de gelegenheid en van kansen die maar weinig mensen kunnen benutten.

Hij is uitgeslapen, maar nooit heb ik een berekenende uitdrukking op zijn gezicht gezien. Hij heeft ontelbare poses aangenomen en toch is hij geen poseur. Hij is een van de koppigste mensen die ik ken, maar ook een van de minst standvastige. Hij zoekt altijd de afzondering, maar kan geen dag alleen zijn. Ik heb hem menigmaal aan wanhoop ten prooi gezien. Als de heftige tegenstrijdigheden in zijn karakter hem overmanden. Of de onmetelijkheid van zijn verlangens hem verlamde. Wat hem dan, een enkele keer ternauwernood, redde was een ongewone wilskracht.

Mij trekt in hem vooral de onbekommerde vrolijkheid die hij tentoon kan spreiden. Hij houdt ervan zijn gezelschap te vermaken. Die vrolijkheid van hem kan zo aanstekelijk zijn dat zij de verbeelding geheel en al in beslag neemt, zodat alles wat zich voordoet iets kolderieks krijgt. Ik herinner mij van hem bovenal zijn onbedaarlijke lach als hij de draak stak met alles en iedereen.

© 2004 Kaplan
© 2004 Kaplan