Het loon van de dichter

 

Noem het dichterschap een avontuur van de geest, een roeping, een noodlot, een straf voor mijn part, maar noem het niet een professie. Dichter zijn is geen eerzaam beroep zoals loodgieter, boer, verpleegster of bankbediende. De maatschappij stoot de dichter uit. Wee hem, die zich daar om bekreunt. Hij verloochent het kostbaarste dat hij bezit – zijn onafhankelijkheid.

Geldelijke beloning, de drijvende kracht van iedere professie, is het laatste waarop de dichter rekenen kan. Het schrijven van gedichten heeft mij in de afgelopen dertig jaar materieel niet meer opgeleverd dan een prima fiets. Het zal dichters met een minder klein oeuvre dan het mijne niet veel anders zijn vergaan.

Het loon van de dichter is van een andere dan de stoffelijke orde. Mij bracht de poëzie een paar vriendschappen voor het leven; een eindelijke vrouw; bij vlagen het verlossende woord. Kan ik meer wensen? De poëzie is guller geweest voor mij dan ik was voor haar. Ik denk dat maar weinig dichters niet bij de poëzie in het krijt staan.

 

Het dichterschap mag dan geen echte professie zijn, tot op zekere hoogte is het wel degelijk een stiel. Een gedicht wordt pas geliefd als het ook goed gemaakt is. Om te treffen moet de dichter zijn middelen beheersen. Toch zal hij aan techniek niet overdreven veel belang hechten. De dichters die ik bewonder zijn eerder superieure amateurs dan volleerde ambachtslieden te noemen.

De dichter peilt de verborgen gronden van het hart. Zijn bevindingen balt hij samen in iets dat de lezer ontroert en te denken geeft. Is de dichter bekwaam, dan legt hij op de lezer niet langer beslag dan strikt nodig is. Wat de moeite waard is in poëzie te worden gezegd, verdient ook op de bondigste manier te worden gezegd. Een dichter moet spreken, niet praten, mompelen of stamelen.

 

Vandaag dienen dichters moeilijk te zijn om ernstig genomen te worden. Net als in mijn jonge jaren is het nog steeds bon ton om de klassieke poëzie te mijden als de pest. Pas veel later begreep ik waarom: niets verhult de zwakheden van een dichter beter dan het vrije vers.

Door het optreden van de Vijftigers is een groot deel van de naoorlogse Nederlandse poëzie vervreemd van het leven. En daarmee van haar lezers. Dat is minder dramatisch dan het klinkt. Het nageslacht heeft weinig op met hen die origineel willen zijn tot elke prijs; het laat hun werken domweg ongelezen. Vroeg of laat zullen jonge dichters opnieuw in de leer gaan bij de oude meesters. Want al zijn zonder talent tradities in de kunst waardeloos, in hen schuilt meer genie dan in welk talent ook.

 

(1989)

© 2004 Kaplan
© 2004 Kaplan