Haring met uitjes

 

We schrijven september 1958. Op een drukke zaterdagmiddag liepen Cor Vaandrager en ik van station Dordrecht in de richting van de Schuitenmakersstraat. Daar werd in galerie Punt 31, volgens modieus gebruik genoemd naar het huisnummer, een tentoonstelling geopend van schilderijen van Armando onder de ruige titel Peintures Criminelles.

Onderweg nam ik een groene haring met uitjes mee. Ons doel was Armando aan te trekken als medewerker van gard sivik. Gedichten van hem in Podium hadden indruk op ons gemaakt. Hij scheen gek op haring te zijn.

De galerie besloeg twee witgesausde ruimten in een smal monumentenpand, verbonden door een blauw geverfde trap. De wanden waren behangen met forse, grotendeels zwarte schilderijen. Op sommige plekken was de olieverf vermengd met zand of gips. Ter plaatse was een grillig reliëf ontstaan, lijkend op verweerd pleisterwerk. Uit de sombere doeken sprak een naar binnen gekeerde agressiviteit.

Ik moest denken aan de monochrome schilderijen die ik een jaar eerder in een kleine Parijse galerie had zien hangen. Slenterend door Saint-Germain viel mijn oog op de eerste blauwe doeken van Yves Klein. Ondanks hun bescheiden formaat ving ik een glimp op van de oneindige ruimte die hij tot de zijne had verklaard.

Hier in de Schuitenmakersstraat hing het tegenwicht van Klein’s onstoffelijke iconen, die symbool stonden voor een grenzeloze vrijheid. Armando’s wereld was een rijk van de duisternis, waaruit geen ontsnappen mogelijk leek. In het extreme karakter van beider werk lag hun verwantschap – bovenaardse sereniteit bij de één, duistere haat bij de ander, als de nachtzijde van een en dezelfde antikunst.

Armando liet zich de haring smaken en knikte goedkeurend. Hij droeg een verzorgd snorretje boven een paar volle lippen. Hij loenste een beetje. Terwijl hij zijn mond afveegde, wierp hij ons een dunne blik toe. Zijn optreden was zakelijk. Hij had wel eens van gard sivik gehoord. Hij zou wat opsturen. De galerie was afgeladen geraakt. In het geroezemoes om ons heen werd om stilte geroepen. Iemand nam het woord voor een openingstoespraak. Hij had de lachers op zijn hand. Het bleek Kees Buddingh’ te zijn.

© 2004 Kaplan
© 2004 Kaplan