Eelke’s worsteling

 

Op een dag in de nazomer van 1963 werden wij aan elkaar voorgesteld. Eelke de Jong kwam de redactie van de Haagse Post versterken, net terug uit Oostenrijk waar hij een half jaar als knecht in een hotel gewerkt had. Hij scheen verlegen met zijn rijzige gestalte. In zijn ogen lag een licht geamuseerde blik.

Twee journalistieke kwaliteiten maakten meteen indruk op ons, zittende redacteuren: zijn speurzin en zijn snelheid van werken. Dit ontzag berustte voor een deel op gezichtsbedrog: Eelke werd de eerste tijd betaald per kolom, wat hem vleugels gaf. Bovendien bracht hij een jarenlange ervaring mee als dagbladverslaggever. Wij daarentegen waren oprechte amateurs, vooral in beslag genomen door haarklovende kwesties van invalshoek, stijl en woordkeus. Het werd voor ons elke week nachtwerk. Hij had dan meestal al goedgemutst het pand verlaten, een avond vol beloften tegemoet.

De Jong’s talent kon in de Haagse Post van meet af aan gedijen en dat is altijd zo gebleven. De ontwikkeling van zijn schrijverschap verliep evenwel langzaam. Terwijl het weekblad vermaatschappelijkte, werden zijn bijdragen allengs persoonlijker, en lastiger te rubriceren. Hij ging zich bewegen in het grensgebied tussen waarneming en verzinsel, literaire reportage en kort verhaal. De neerslag daarvan werd Ginds (1971), zijn eerste boek. Op het vlak van het journalistieke handwerk werd het profilerende interview zijn specialiteit. Zijn schrijversportretten zijn voorbeeldig in hun onvooringenomenheid, inlevingsvermogen en onthechte vormgeving.

Wij mochten elkaar op het eerste gezicht. Maar het duurde tot ons beider vertrek van de Haagse Post, in 1972, voordat we bevriend raakten. Wat ons bovenal verbond, was de schrijverij. Waar hij ook mee kon spotten, niet met het schrijven. Zonder er ophef van te maken, gold de daad van het schrijven voor hem als een gewijde handeling, een morele opgave. Hij worstelde met de pen als een gelovige met het kwaad. Zijn verhouding tot het bijvoeglijk naamwoord heeft zijn leven bepaald.

Ik heb niemand gekend die zo goed kon niksen als hij. Hij was een geboren slenteraar. Toch was hij niet lui. Zijn neiging om te verzaken kwam voort uit iets anders. Hij kon zichzelf pas enigermate respecteren als hij zijn besognes liet voor wat ze waren. Het type van de druk bezette, succes uitstralende man, die held van onze tijd, was hem een gruwel.

Wat hij schreef, is doordrongen van de hachelijkheid en vergeefsheid van het aardse bestaan. Hij had een diep geworteld, soms verlammend besef van het vruchteloze van elk menselijk streven. Hij werkte met ongewisheid, onbegrip, machteloosheid. Zijn personages zijn dolenden. De natuur is bij hem genadeloos.

Eelke de Jong was een meester op de korte baan. Zijn register is niet breed. Maar daarbinnen reikt hij tot schaarse hoogte. Hij kan, als weinigen, in één zin een heel verhaal vertellen. Met sobere middelen weet hij een ontmoeting, een plek, een alledaags voorval om te toveren tot een gemoedsgesteldheid.

Dit vermogen dankte hij, behalve aan een nauwgezet verworven trefzekerheid, vooral aan een innerlijke kwaliteit. Hij had de moed om oprecht en ongekunsteld te schrijven.

© 2004 Kaplan
© 2004 Kaplan