Een man van beschaving

 

Pardoel* was klein van stuk. Zijn bovenlijf kwam maar gedeeltelijk boven de tapkast uit. Toch belette zijn postuur hem niet om kordaat in te grijpen als er soms een handgemeen dreigde. Nooit is hem een haar gekrenkt.

Hij boezemde ontzag in. Niet omdat hij opvallend aanwezig was, maar, merkwaardig genoeg, juist omdat hij zich onzichtbaar wist te maken. Hij was een meester van het onnadrukkelijke gebaar, de twinkeling in de ogen, het halve woord. Als het nodig was, nam hij geen blad voor de mond. Maar hij deed dat ongaarne. Een onvertogen woord kwam niet over zijn lippen.

Er ontging hem weinig. Onbekenden taxeerde hij in een oogopslag. Wie hij niet terug wilde zien, kon dat aan de bediening merken. Maar voor vaste klanten was niets hem te veel. Hij schonk en redderde altijd in een straf tempo, onverschillig of er nu twee of twintig man in de zaak waren.

Ik heb hem nooit een druppel zien drinken. Toch had hij op het drukst van de dag altijd deel aan de tierige stemming om zich heen. Hoe effen zijn gelaatsuitdrukking ook was, zijn hele wezen verried dan dat hij genoot.

Hij gaf de indruk dat zijn café meer een tijdverdrijf voor hem was dan een bron van inkomsten. Geld was bijzaak. Een fooi smeet hij terug. Bij hem heeft niemand ooit meer afgerekend dan hij gedronken had.

Pardoel was een man van beschaving; niet aangeleerd, maar eigen. Daarbij had het vooroorlogse Rotterdam een kosmopoliet van hem gemaakt. Had zijn café aan de Boulevard Montparnasse, de Nevski Prospekt of de Kurfürstendamm gelegen, – hij zou ook daar het artistieke talent met zijn overmoedige aanhang om zich heen verzameld hebben. Café Pardoel lag aan de Oude Binnenweg, maar door hem toefden wij in het warm kloppende hart van een wereldstad.



* Uitbater van een legendarisch naoorlogs artiestencafé in het ongebombardeerde hart van Rotterdam.

© 2004 Kaplan
© 2004 Kaplan