Buddingh’s potkachel

 

In mijn herinneringen aan Kees Buddingh’ springt één tafereel naar voren. We zitten op oude fauteuils tussen stapels boeken in zijn werkkamer op Pictura. Hij schenkt thee. Van buiten dringt geen geluid tot ons door. Onder de brede kamerdeur van het voormalige patriciërshuis vlaagt nu en dan een gure winterkou. De potkachel staat roodgloeiend. Ik luister naar het bedachtzame, wat slepende stemgeluid waarmee hij op het vuur van mijn betoog reageert. Af en toe valt er een ongedwongen stilte. Uren verglijden alsof we ontheven zijn aan de tijd.

Waarover praatten wij? Over poëzie, wat wil je, over die van hem vooral. Maar ook over de contouren van een nog niet bestaande poëzie. Een Nieuwe Poëzie die, hoe onbereikbaar ze op dat moment nog leek, onherroepelijk komen ging. Komen moest. Die droom bracht ons bij elkaar. Kees stond op een keerpunt in zijn dichterlijke ontwikkeling en kon wel wat stimulerend commentaar gebruiken. Ik op mijn beurt vond in hem een weerbare medestander die onvoorwaardelijk met de jongere generatie sympathiseerde.

Deze zittingen zijn begonnen in de winter van 1958. Ik had hem voor het eerst ontmoet in september van dat jaar. Hij opende in de bomvolle Dordtse galerie Punt 31 een tentoonstelling van Armando’s Peintures Criminelles. Merendeels zwarte doeken, waaruit onverholen agressie sprak. Kees plaatste die sombere kunst tegen de achtergrond van recente wreedheden uit het wereldnieuws. Ondanks de dramatiek van zijn toespraak kreeg hij met de slotclaus HU HU HU! MOEDER DAAR IS ARMANDO! de lachers op zijn hand. De combinatie van de ernstige boodschap met zijn lijzige voordracht werkte onweerstaanbaar komisch.

Niet lang daarna zocht ik hem samen met Cor Vaandrager in Dordrecht op. Onze missie was Buddingh’ te werven als medewerker van gard sivik. De ongewichtige toon van zijn recente werk sprak ons aan. Wij waren 23, hij 40, maar van een leeftijdsverschil merkte je in de omgang niks. Vooringenomenheid of vertoon van superioriteit waren hem vreemd. Kees was meteen een van ons. Hij werd – gelijktijdig met Armando – binnen de kortste keren vaste medewerker van gard sivik. Een jaar later waren beiden redacteur.

Er zijn dichters, en niet de minsten, die hun eigen werk niet of moeilijk op waarde kunnen schatten. Zij registreren de influisteringen van een innerlijke stem, huiverig om corrigerend tussenbeide te komen. Dat moet een ander doen. Kees liet mij in die glanzende jaren geregeld zijn nieuwe poëzie lezen om te horen wat ik ervan vond. Kennelijk legde mijn oordeel voor hem gewicht in de schaal. In een van zijn dagboeken noemt hij mij de beste poëziekenner van Nederland; euforische buien waren hem niet vreemd.

© 2004 Kaplan
© 2004 Kaplan