Bob den Uyl, antiheld

 

Bob den Uyl was een geremd en kwetsbaar mens. Een geboren antiheld. Hij was, als veel schrijvers, stroef in de omgang. Op het eerste gezicht leek hij een slome duikelaar, een indruk die hij, als hem dat de moeite waard leek, bijtijds wegnam door geestig uit de hoek te komen.

Behalve een droogkomiek gingen in hem een pestkop en een mopperkont schuil. Samen vormden zij de lijfwacht die hem tegen de buitenwereld moest beschermen.

Met het klimmen van de jaren bestreed hij zijn angsten en zwartgalligheid, althans in gezelschap, meer en meer met jenever. Hij verzonk dan algauw in een soort morose luciditeit en kon dan, zodra er een vrouw in de buurt was, zijn handen niet thuishouden.

 

Den Uyl is, net als zijn stadgenoten Vaandrager en Deelder, een verslaggever van zijn eigen bestaan. Hiermee houdt de vergelijking op. Net als zijn leven verschilt zijn proza in alles van het hunne. Bij hem geen roesmatige inzichten of literaire hoogstandjes. Hij schrijft een klassiek Nederlands in doortimmerde zinnen met een bedachtzaam tempo. Een zekere bewuste oubolligheid is aan zijn stijl niet vreemd.

Als reisschrijver vind ik hem op zijn best. Zijn jachtterrein is het alledaagse, het onspectaculaire. Met sobere middelen weet hij van niks –een lekke band, een droef stemmende hotelkamer, een zak foute friet– een verhaal te maken dat je lezen wil. Jammer is, dat hij zich nogal eens vergist in zijn beeldspraak. Een betere eindredactie had hem dit kunnen besparen.

Vormtechnisch zit er weinig variatie in zijn werk en zijn thematiek is beperkt. Maar zijn toon is zuiver. Hij boeit door zijn echtheid. In de Nederlandse literatuur is humor voor een prozaïst geen aanbeveling. Als dit wel zo was, dan zou Den Uyl als schrijver ongetwijfeld meer standing genieten dan nu het geval is.


Mijn laatste ontmoeting met hem was op een avond bij een wederzijdse vriend, de schilder Hans Verweij thuis waar we na een opening met een paar man waren beland. Hans had ons twee fauteuils gewezen in een rustige hoek. Dan kunnen jullie een beetje praten’. We hadden elkaar lang niet gezien.

Maar het gesprek wilde niet vlotten. Het bleef bij algemeenheden. Wij hadden elkaar niets te zeggen. Bob, die meer gedronken had dan goed voor hem was, verviel in stilzwijgen. In zijn halfgesloten ogen lag een peilloos sombere blik. Tegen zijn gewoonte in vertrok hij vroeg. Een klein jaar later was hij dood.

© 2004 Kaplan
© 2004 Kaplan