Vertrekpunt: Nul

 

De werken die hier zijn tentoongesteld, zijn meer dan werken van kunst alleen, wat al veel is. Het zijn daarnaast documenten van een internationaal werkzame artistieke stroming, en daarmee van een tijdvak. Deze werken zijn de zichtbare eigendomsbewijzen van een generatie kunstenaars. Concrete certificaten van echtheid die de aanspraken van deze kunstenaars staven op hun fundamentele bijdrage aan de ontwikkeling van de kunst.

Ik zal geen poging wagen de Nul-kunst en het daarin bezonken gedachtengoed hier op kunsthistorische waarde te schatten. Dat moeten anderen doen. Daarvoor is het ook eigenlijk nog te vroeg. Volgens Fontana zal het zeker honderd jaar duren voordat deze kunst begrepen wordt. Zij heeft pas een kwart van deze lange weg afgelegd.

 

Wat ik mij afvraag is wat zoveel uiteenlopende talenten en uitgesproken persoonlijkheden, verspreid over West-Europa, destijds, ruim een kwart eeuw geleden, een tijdlang verenigde. Wat was het dat hen in elkaars werk, en in elkaar, aantrok? Wat bracht hen ertoe zich aan elkaar te spiegelen, zich met elkaar te meten, samen naar buiten te treden?

Allereerst, denk ik, een geheime verwantschap, het vooralsnog vage besef van een gemeenschappelijk streven, een belofte voor de toekomst. Daarbij deelden zij een heftige weerzin tegen de onwaarachtigheid van een museale cultuur, tegen het opgelegd pandoer van een kunstbesef dat het ik van de kunstenaar als hoogste goed vereerde. Daaruit wilden zij de kunst – en zichzelf– voor eens en altijd bevrijden. Er moest een geheel nieuwe kunst komen, zoals Armando, de Nederlandse chef d’équipe, in 1958 schreef.

 

De droom van een nieuwe kunst leefde in de geest van een paar visionaire enkelingen als Lucio Fontana, Piero Manzoni en Yves Klein al langer. In ons land stonden Armando, Henderikse, Peeters en Schoonhoven, samenwerkend in de Informele Groep, op het punt een onbekende artistieke ruimte te betreden. Dat gold ook voor Mack, Piene en Uecker in Duitsland, voor Arman, voor Castellani, Verheijen en nog anderen.

Dan, omstreeks het jaar 1960, wordt hun verbeelding tot begeerte, de begeerte tot daad, tot energie. Dat uit zich radicaal en demonstratief. Op de eerste plaats in een reeks werken, gemaakt met instinctieve zekerheid en grote innerlijke kracht. Daarnaast in programmatische teksten, ontstaan op een moment van waarheid, opgepakt zoals die is en op papier geworpen. Dáár dan.

 

Het zou niet juist zijn te denken dat er sprake was van een georganiseerde doctrine. De kunstenaar heeft immers geen programma of doel dat vanaf het begin te omschrijven valt. Wat hem beweegt is het besef van een te vullen leegte, het voorgevoel van een vorm, een oplossing, die hij pas kent wanneer die bereikt is.

Evenmin zijn kunststromingen samenzweringen van doortrapte individuen, zoals de kwaadwilligen plegen te denken. Een kunststroming ontstaat uit, en ontleent zijn betekenis aan een intuïtieve bundeling van krachten, een spontaan samengaan van in de loop van de tijd opgedane ervaringen, vondsten en inzichten, kortom, uit de intelligentie die gelijkgezinden elkaar aanreiken.

 

Nul was geen optelsom van berekenbare eenheden, maar een sprong. Een sprong in het ongewisse, een avontuur van de geest, dat het persoonlijke aandeel van de kunstenaar te boven ging. Wat zich voltrok, was het mirakel van een kunst die onpersoonlijk en gemakkelijk lijkt zonder het te zijn.

Nul streefde met soberheid en zelfbeheersing naar een kunst als kwintessens van het leven. Nul beoogde een wezenlijk doel, een bovenpersoonlijk ideaal. Namelijk een glimp te tonen van (ik citeer Yves Klein) ‘het niet-problematische bestaan van de mens in deze wereld’. Nul wilde de realiteit bewoonbaarder maken door haar te poëtiseren, door de realiteit (in de woorden van Schoonhoven) ‘te funderen als kunst’. Nul wilde iets uitspreken namens allen.

Armando heeft eens opgemerkt dat hij, als oudere heer terugkijkend, in dat hoge streven vooral een wanhopige poging zag om de consumptiemaatschappij te ‘bejahen’. Dit lijkt mij te tijdelijk en te tragisch gezien.

 

De idealiteit van Nul schuilt in de ongereptheid van het heden, in het begin van de toekomst. Nul is een kunst van grote verwachtingen, jong en profetisch. Zij is geïnspireerd door een absoluut en levendig besef van bevrijding, een gevoel de wereld te begrijpen, of beter gezegd: door een staat van gevoeligheid. Die gevoeligheid, door Yves Klein zo mooi genoemd ‘de pasmunt van het heelal, van de ruimte, van de grote natuur, die ons in staat stelt het Leven in de toestand van grondstof te kopen’.

 

Dames en Heren! Uit de grote romantische ervaring waarvan ik spreek, een ervaring die van alle tijden is, wordt alle vitale kunst geboren. Die kunst kan niet dateren, omdat zij iets raakt dat werkelijk in ons leeft.

Ik dank u voor uw aandacht.

 

Tekst, uitgesproken bij de opening van de tentoonstelling Vertrekpunt: Nul in het Centraal Museum, Utrecht 1988

© 2004 Kaplan
© 2004 Kaplan