De schilder als sjamaan

 

Een schilder schildert zijn zelfvertrouwen over een reeks van jaren. De kunst leeft langzaam. Marjolijn van den Assem zocht voor deze tentoonstelling in de Commanderie werk uit van de afgelopen vijf, zes jaar, wat het mogelijk maakt over een langere periode het eigene van haar oeuvre en de duurzame kwaliteit ervan te overzien.

Staat u mij toe ter inleiding een paar kanttekeningen te plaatsen. Ik zal eerst kort proberen aan te geven wat voor haar kunst in mijn ogen karakteristiek is, en daarna iets zeggen over haar onorthodoxe manier van werken en de drijfveren daarachter.

 

Marjolijn van den Assem heeft zo te zien weinig op met ‘imponeerkunst’. Haar werk moet het niet hebben van de grote formaten. 1.20 x 1 meter is een geliefkoosde maat. Dit is geen blijk van bescheidenheid, want binnen zulke relatief intieme afmetingen ontketent zij telkens weer een massa picturale feiten waar je niet gauw op uitgekeken raakt, en waarmee een ander gemakkelijk wandgrote doeken zou kunnen vullen. Bij haar, zo lijkt het, verhevigt het formaat de emotie door deze juist in te tomen.

In dit werk zie je iemand bezig die zich niet wenst vast te leggen op één stijl of trant, maar die het schilderen steeds opnieuw wil uitvinden. Deze avontuurlijke instelling maakt haar oeuvre rijkelijk gevarieerd. De constante daarin, de bindende factor, schuilt in de intensiteit waarmee Van den Assem tewerk gaat. Het zijn sterke gemoedsbewegingen die het oog hier gevangen houden.

Al deze doeken en tekeningen wekken de indruk argeloos tot stand te zijn gekomen, en dat is tot grote hoogte ook zo. Wat ons op het eerste gezicht in deze kunst bekoort, is de schoonheid van het spontane, het onbevangene, het naïeve. Waarom vinden we het naïeve mooi? Omdat de natuur, zegevierend over het gekunstelde en de aanstellerij, daarin haar rechten bevestigt.

 

Hier dreigt een misverstand. Marjolijn van den Assem is niet, zoals u nu misschien geneigd bent te denken, het type van de rasschilder die genoeg heeft aan de volheid haars harten; zij is niet, zoals de Fransen zeggen, bête comme un peintre. Wij hebben, in tegendeel, te maken met een kunstenaar die zich voortdurend rekenschap geeft van wat zij nastreeft. Van dit zelfonderzoek legt zij al jaren dossiers aan in velerlei vorm. Haar artistieke ‘naïveteit’ is – kortom – geen wezenstrek, maar iets heel anders: een souvereine geesteshouding, waarmee zij kan werken. Maar dit terzijde.

 

Voor deze schilder staat niet zozeer het product op de voorgrond als wel het schildersproces zelf. Haar werkmethode bepaalt, meer dan dit doorgaans bij anderen het geval is, wat we te zien krijgen.

Schilderen is voor haar allereerst een toestand, een staat van verhoogde geestelijke concentratie. Om die spirituele hoogspanning te bereiken en vast te houden, ontwikkelt zij zo haar eigen rituelen. In de catalogus bij deze tentoonstelling geeft Betty van Garrel daarvan een paar frappante staaltjes. Ze doen denken aan bezweringstechnieken waarvan sjamanen zich bedienen om innerlijke beelden op te roepen.

Een jaar of wat geleden verruilde van den Assem de schildersezel voor de vloer van haar atelier om op te werken. Zij had er behoefte aan tijdens het schilderen en tekenen om het werk heen te kunnen lopen, er als het ware in te kruipen, er zelf deel van uit te maken. Deze sjamanoïde werkmethode stelt de kunstenaar in staat tijdens het scheppend proces, spontaan, psychische energie in beelden om te zetten, en de ontstane verftekens te hanteren als persoonlijke krachtvelden. De maker wordt in dit proces tijdelijk één met het kunstwerk, wekt het bewustzijn ervan en brengt het ‘tot spreken’.

Kom, laten wij ons tegoed doen aan de bezieling, het plezier en de vindingrijkheid van de kunstenaar, waaraan deze werken zo krachtig uitdrukking geven.

Ik dank u voor uw aandacht.

 

Tekst, uitgesproken bij de opening van een tentoonstelling van Marjolijn van den Assem in Museum de Commanderie van Sint Jan, Nijmegen 1998

© 2004 Kaplan
© 2004 Kaplan