Kunst en realiteit

zes teksten

 

1

 

Realiteit. Hoeveel kunstenaarslevens heeft dit onrustbarende woord niet verwoest. Aanstichter van wurgende onmacht, drankzucht, roemloze ondergang. Maar ook bron van opperste schoonheid, scheppingsgeluk, eer en gewin. Wie realiteit zegt, velt een absoluut oordeel. De realiteit is onfeilbaar, als de godheid. De realiteit, in het leven een welkome dooddoener, is in de kunst het hoogste gebod. ‘We weten allemaal wat we er mee bedoelen’, zei Armando ooit, om een definitie verzocht. Ik vraag het me af.

 

2

 

De eerste schilder die een ‘kunst zonder kunst’ wilde, was Caravaggio

(† 1610). Die stoutmoedige gedachte joeg de kunst de straat op. Daarmee was de kiem voor de moderne kunst gelegd. Hoe kan – met de middelen van de kunst – de realiteit op autonome en tegelijk algemeen geldige wijze worden getoond? Dat is sindsdien de vraag. Soms vinden gelijkgezinden een gemeenschappelijk antwoord. Zo ook omstreeks 1960. Toen ontwikkelde de kunst een ware honger naar realiteit. Haar voorstelling van de realiteit was ontoereikend gebleken. Er ontstond een unanieme passie voor het anonieme leven. Een hele generatie 'verlichtte de gedachte gelijk te zijn aan vele anderen meer dan hoger te zijn,’ zoals een dichter het uitdrukte.

 

3

 

De almacht van de realiteit – is dat niet al een kwart eeuw de obsessie van de kunst? Die heerschappij deed haar rijk op zijn grondvesten schudden. De kunst, altijd dweepziek, altijd in onvrede, scheen haar rechten te verloochenen. De beste talenten verklaarden de realiteit zelf tot kunst. Capituleerden zij? Lag hun eer niet langer in de kunst, maar in het leven? Welnee. Zij bleven kunstwerken maken, reikhalzend naar het absolute. Deze werken zijn even verbluffend van ogenschijnlijke eenvoud als definitief van karakter. Denk aan de reliëfs van Jan Schoonhoven. Hier speelt meer mee dan de wil een oneindige sensatie eindig uit te drukken. Ondanks alle belijdenis van het tegendeel bevestigt de kunst haar hegemonie. De realiteit ‘funderen als kunst’ (Schoonhoven) is welbeschouwd de realiteit naar je hand zette. Heimelijk credo van iedere realist: zonder kunst geen realiteit.

 

4

 

Over de verhouding tussen kunst en realiteit bestaan twee fundamenteel verschillende opvattingen. De idealistische en de materialistische. Volgens de eerste is de realiteit een manifestatie van het kunstprincipe. Dit principe wortelt in het menselijk verlangen naar onaardse schoonheid. Deze hooggestemde visie, stammend uit de Duitse Romantiek, kreeg gestalte in de topstukken van de moderne kunst. Ook in ‘Zwart vierkant op wit fond’ (1913) van Kasimir Malewitsj. De maker betitelde dit schilderij als ‘naakte, ongekadreerde ikoon van mijn tijd’. Hij voerde een kruistocht om in de kunst ‘de wereld van de wil en van de voorstelling’ te verlaten. Vocht Malewitsj, tegenstrever van de geschiedenis zelf, voor een verloren zaak?

 

5

 

Waarom dorsten mensen naar kunst? Om, al is het maar voor even, verlost te zijn van het vlieden van de tijd. Ware kunst gaat gehuld in grenzeloze rust. De kunst leeft traag. Zij streeft bestendiging na. Zij wil duren. Onder de wisselvalligheden van de geschiedenis blijft zij wie zij altijd was. Het onverstoorbare karakter van de kunst maakt de tijd tot haar bondgenoot. Hoe meer tijd haar is vergund, hoe meer de kunst wint aan kracht, aan schoonheid. De tijd vervolmaakt de kunst. Niet de jachtige, opdringerige tijd die actualiteit heet. Maar de onbewogen, majesteitelijke tijd – de onhistorische tijd, die een maat is van beweging in de ruimte. Wat grote kunst is in de werken van de modernen, is wat daarin onmodern, van alle tijden blijkt te zijn. Als er iets telt in de mysterieuze betrekkingen tussen kunst en realiteit, dan is het wel de onvatbare, oneindige, ongenaakbare tijd.

 

6

 

Realiteit is een grimmig woord. Hoe kan het ook anders. ‘Het menselijk leven is van nature eenzaam, arm, smerig, gewelddadig en kort,’ stelde Thomas Hobbes († 1679) vast. Die collectieve ervaring gaf het woord realiteit zijn lading, ruig en wijd. De realiteit omspoelt ons als de zee de vis. Graag of niet, wij laven ons onafgebroken aan de realiteit. Al het leven voedt zich aan de realiteit. Zou de kunst haar leeftocht dan elders halen? Soms uit het sneeuwwitte of inktzwarte Niets? De kunst verflenst als zij niet het Alles van de realiteit najaagt. Zonder realiteitsbeginsel vervalt de kunst tot louter decoratie. Of ze verliest zich in hersenspinsels. Hoe hoger de graad van realiteit, hoe meer het kunstwerk tegenwoordig is. De kunst verheft de realiteit door die te verhevigen. Maar haar sterkende kracht dankt de kunst aan de realiteit. De realiteit is het merg van de kunst.

 

Gepubliceerd in: Jan Schoonhoven, Vorm, 1988.

© 2004 Kaplan
© 2004 Kaplan