De grandeur van het onspectaculaire

 

Het eerste wat mij aan Jan Schoonhoven opviel, was zijn onopvallendheid. Niets in zijn alledaagse voorkomen trok de aandacht. Uit zijn sobere kledij viel hooguit op te maken dat uiterlijkheden hem onverschillig lieten. Zijn houding was wat afzijdig, als van iemand die aan weinig plek genoeg heeft. Er ging van zijn gestalte iets weerloos en tegelijk onkwetsbaars uit.

Onze kennismaking vond plaats tijdens de opening van de tentoonstelling Nieuwe Tendenzen in galerij Orez van Leo Verboon en Albert Vogel aan de Javastraat in Den Haag, begin 1962. Schoonhoven was toen 48 en had niet lang daarvoor de sleutels tot zijn kunst in handen gekregen. Ik was 27, een snotneus bij hem vergeleken.

Ter opening stak ik een betoog af dat niet van hoogdravendheid gespeend was, hoezeer ik ook geprobeerd had die te vermijden. Toen ik naderhand met hem in gesprek kwam, trof mij des te sterker de eenvoud waarmee hij zich uitdrukte, onverschillig of het over het weer ging of over de kunst. Over van alles sprak hij ongedwongen en met bezieling – behalve over zichzelf. Het woord ik kwam niet eenmaal over zijn lippen.

 

De keren dat ik Jan Schoonhoven in de tussenliggende jaren heb ontmoet, zijn op de vingers van één hand te tellen; misschien juist daarom staan ze in mijn geheugen gegrift.

Omdat ik van hem wou leren, beperkte ik mij bij die schaarse gelegenheden voornamelijk tot luisteren. Eigenlijk luisterde ik niet zozeer naar wát hij zei, maar meer naar wat hij onuitgesproken liet. Hij is een meester in het weglaten, in het áfleren.

 

Van een afgeronde persoonlijkheid heef hij niets, van een persoon met een volstrekt eigen willekeur alles. Zijn wezen blijkt vooral uit zijn reacties op mensen die zijn pad kruisen: spraakzaam, begaan, bij voorkeur speels, soms ineens scherp, vrijwel steeds getuigend van lenigheid van geest en ironische mensenkennis. Als hij iets niet is, dan is het ‘abstract’.

Hij kan zich, als het hem ernst is, zeer precies en helder uitdrukken, zijn verstandige, ietwat droeve blik nu en dan peinzend op de ander gericht. Maar hoe ernstig ook, altijd is hij ongewichtig.

 

Wereldse ambities zijn hem zijn leven lang vreemd geweest. Door het geregelde bestaan dat hij verkoos te leiden ontdekte hij een verborgen schoonheid: die van de herhaling, in het teken waarvan heel zijn werk staat.

Jan Schoonhoven laat zien dat in de eenvormigheid een zeer miskende deugd verborgen ligt. Dat het onspectaculaire een speciale grootsheid bezit. En dat juist in de herhaling van momenten, die we het leven noemen, in de gehechtheid aan onze gewoontes en beslommeringen, wel eens de grootste grandeur zou kunnen schuilen.

Ik dank u voor uw aandacht.

 

Tekst, uitgesproken in de aula van het Stedelijk Museum Amsterdam bij de presentatie op 19 december 1990 van de monografie Jan Schoonhoven beeldend kunstenaar/visual artist

© 2004 Kaplan
© 2004 Kaplan