Het rook er naar kunst

Ik was een jaar of zeventien toen ik de schilder Dolf Henkes voor het eerst ontmoette. Ik zat op de Rotterdamse Willem de Zwijger-HBS en had een schoolkrant opgericht, luisterend naar de naam Ontmoetingen. Ik belde de schilder voor een vraaggesprek in dit gestencilde, maar netjes geniete, gesneden en van een gedrukt omslag voorziene blaadje. Of ik maar naar zijn atelier wilde komen. Dit bevond zich in een voormalig koopmanshuis aan het Haringvliet, dat betere tijden had gekend. Je moest een marmeren gang door en een bewerkte houten trap op naar de eerste verdieping. Het was een schildersatelier zoals het hoort: rommelig, vol schilderijen, kwasten, tubes olieverf, boeken, bestofte bric à brac. Door de hoge ramen op het Noorden stroomde een zee van licht.  Het leek of de tijd stilstond. Het rook er naar kunst.
De schilder vertelde over zijn tamelijk late roeping (hij was, geloof ik, eerst machinebankwerker). Hoe hij zich als autodidact een persoonlijke techniek en stijl eigen maakte. Zijn reizen naar Parijs. Zijn jaren van succes (Antillen, Holland-Amerika Lijn, de keldergewelven van de Rotterdamse Schouwburg).
Zijn lectuur (de oude Grieken). Hij liet schilderijen zien die hem dierbaar waren: zijn vader in z’n schoenmakerswerkplaats, de drommen emigranten uit heel Europa op de kade bij het latere Hotel New York – doeken die getuigden van een poëtisch realisme. Hij liet foto’s zien van zijn zeilboot met hem aan het roer, soms in gezelschap van een vriend.

 

Hij was voor mij een oude man, maar hij straalde iets onverwoestbaar jeugdigs uit. Hij sprak kordaat, zonder aarzelingen, met een aanstekelijk enthousiasme, luid en duidelijk. Bij mijn vertrek vroeg hij of ik een keer voor hem wilde poseren. Gekleed of bloot, dat liet hij in het midden. Ik vond het een eer en wij spraken een dag af, een poos later.
Bij mijn tweede bezoek vroeg hij of ik er bezwaar tegen had mijn kleren uit te doen. Hij wilde een paar naaktstudies van mij tekenen. Dat vond ik goed. Ik vertrouwde de man. Het was in het vroege voorjaar en frisjes. Een uur lang maakte hij de ene schets na de andere; het ging hem om het lijf, het hoofd deed er niet toe. Toen hij zag dat ik wat rillerig werd, kon ik mij aankleden. Hij gaf mij een van de schetsen mee als dank voor het poseren, en dat was het dan. Ik was blij met de tekening, die jammer genoeg verloren is gegaan, al staat de krachtige lijnvoering mij nog helder voor de geest. Blijkbaar verrukte de aanblik van het jongenslijf zijn kunstenaarsoog, maar de afbeeldingen die hij ervan maakte, waren
stuk voor stuk decent.

 

In de jaren daarop zocht ik hem nu en dan op en dronk dan een mok thee. Ik trof hem altijd in een goed humeur aan het werk. Hij was, althans in mijn gezelschap, alles behalve een opschepper. Het lijkt me stug dat hij zich vergeleek met Picasso, Matisse en Léger, zoals het verhaal wil. Hij was een kleine meester, die door alle wisselvalligheden van het leven heen zijn ding deed. Hij kende zijn grenzen, maar wist wat hij waard was. Over Rotterdamse kunstbroeders sprak hij zelden en nooit in oordelende zin. Ik mocht hem graag en had de indruk dat het wederzijds was.
Pas veel later kwam mij ter ore dat hij homo was. Erotische toenadering heeft hij in mijn geval nooit gezocht, noch maakte hij ook maar de geringste toespeling in die richting. Zijn broer Jan heb ik gekend uit
café Pardoel. Hij zei niet veel, maar kon origineel uit de hoek komen. Hij vond dat Dolf een veel grotere bekendheid verdiende en noemde zijn broer ‘een meester in het zich wegzetten’ of woorden van gelijke strekking.

 

Gepubliceerd in: Eigenzinnig en ongrijpbaar. Dolf Henkes (1903-1989), 2003

© 2004 Kaplan
© 2004 Kaplan