Gesprek met Jana Beranová

2008

 

Je was een van de vier schrijvers die tussen 1955 en ‘65 de literaire scene uitmaakten in Rotterdam: de Bende van Vier. Dat is krap een halve eeuw geleden. Hoe is het begonnen?

We schreven beiden al in onze schoolkranten, Cor Vaandrager en ik. Ik speelde jazz, tenorsax, in het gebouw Emporium. Dat was in 1952. Cor sprak me na afloop aan. We staken de koppen bij elkaar en zo ontstond een paar jaar later Proefschrift, ‘maandblad van de nieuwe generatie’. Er zijn twaalf nummers van verschenen. Ad Donker jr. gaf het uit.

In Rotterdam waren toen geen jongeren bij wie we ons konden aansluiten, zoiets als een literaire scene bestond er toen niet. Dus gingen we in Antwerpen gelijkgestemde zielen ronselen, zoals Paul Snoek, Hugues Pernath en Gust Gils. Grote namen die toen nog vrijwel onbekend waren. Zij hadden met een paar anderen in 1955 het 3-maandelijkse avantgardeblad gard sivik opgericht. De titel is een ironische vervlaamsing van het Franse garde civil, burgerwacht.

In Amsterdam had je destijds Barbarber, ‘tijdschrift voor teksten’, een initiatief van generatiegenoten. Dat vonden wij te lief, de redactie hield naar onze smaak teveel van ongein. We hadden een hardere kijk op de dingen, geloofden in een andere strijd om het bestaan.

Toen Proefschrift ophield, zeiden de Belgen ‘Kom maar bij ons’. Zo kwamen Vaandrager en ik in de redactie van gard sivik, dat na 1958 een Rotterdams-Antwerps blad werd. gard sivik kenmerkte zich op den duur door het verwoorden van de harde werkelijkheid. En dat betekende vernieuwing. Dat was in de Nederlandse poëzie nog niet eerder voorgekomen.

Uit gard sivik is de ‘totale poëzie’ ontstaan. Hans Verhagen – in mijn ogen de beste levende dichter in Nederland op dit moment – kwam erbij, en beeldend kunstenaar-schrijver Armando. We opereerden vanuit mijn souterrain aan de Essenburgsingel. En, inderdaad, we werden de Bende van Vier genoemd.

 

Jouw eenregelige gedicht Wollt ihr die totale Poesie? heeft niet alleen Komrij’s bloemlezing van Nederlandse poëzie gehaald, maar zelfs de Tsjechische vertaling van 120 Nederlandse dichters over 120 jaar, gekozen uit Komrij’s bloemlezing. Wat is totale poëzie?

Totale poëzie betekende voor ons onder meer dat je over alles in de werkelijkheid een gedicht kon maken. Over een kassabon, over zwerfvuil, wat dan ook. Een poëzie die bepaald werd door eenvoud en zakelijkheid, door de vierkante mentaliteit van Rotterdam. gard sivik heeft negen jaar bestaan. Vooral de laatste jaargang legde een basis voor deze nieuwe stroming, die De Nieuwe Stijl werd gedoopt.

We hadden lef, betrokken de internationale avantgarde in de beeldende kunst bij literatuur, organiseerden literaire middagen, braken de boel open. Van gezwollen taal en geliteratureluur moesten we niks hebben. Ons ging het om de waarneembare realiteit en het dagelijks leven. Een blad als Passionate beroept zich er vandaag de dag nog op, dat door ons een nieuwe generatie Rotterdamse dichters werd gevormd. Met Jules Deelder aan kop. De totale poëzie was nuchter, net als de stad.

 

Waarom ben je uit Rotterdam weggegaan juist op het moment dat alles begon te bruisen?

Ik heb 33 jaar in Rotterdam gewoond. In 1968 ben ik naar Amsterdam verhuisd omdat ik een baan had bij de Haagse Post en het heen en weer pendelen zat was. Maar de stad is me altijd dierbaar gebleven.

Mijn familie woonde in de Jericholaan in Kralingen. Ik heb Rotterdam zien branden en smeulen, ik heb de stank van verbrand vlees en mensenhaar geroken. Daar heb ik ook over geschreven. Mijn vader nam me op de fiets mee naar de Willemsbrug – ik was toen vijf – die van twee kanten met lijken bezaaid lag, jongens nog. Daar hadden mariniers en miliciens vier dagen standgehouden tegen Duitse stoottroepen, zonder enig commando, zonder verbinding met de achterban. Ieder vocht voor wat hij waard was.

Ik ben gevormd door deze stad, en dat is onbetaalbaar. De mentaliteit van aanpakken, doen, niet van dat benauwde. In de poëzie was deze recht voor z’n raap-mentaliteit niet eerder vertoond.

 

Hoe heb je die macabere oorlogssfeer verwerkt?

Tot een jaar of vijf geleden beving mij altijd een beklemming zodra ik in de buurt van Rotterdam kwam. Dat moet met de oorlog te maken hebben gehad. Die oorlog was nog steeds aanwezig, onverwerkt. Langzaam slijt dat weg. Als je het mij vraagt begint de wederopbouw eigenlijk nu pas. Het helen van de ziel van de stad, daar gaan een paar generaties overheen.

Wist je – dat is een stokpaardje van me – dat de gigantische verwoesting niet alleen het gevolg was van het bombardement door de Duitsers? Veel had nog gered kunnen worden, maar de Rotterdamse gemeenteraad heeft zich door de toenmalige foute secretaris-generaal van Binnenlandse Zaken buiten spel laten zetten. Alle historische panden moesten tegen de vlakte met het oog op de verkeerswegen na de oorlog. Dat was een barbaarse beslissing. Rotterdam had te weinig liefde voor zichzelf.

 

Je bent na al die jaren nog steeds boos.

Ik vind dat er onvereffende rekeningen zijn. Die moeten boven tafel komen voordat de demonen zich laten uitdrijven.

 

Hoe zou je dat willen doen?

Je zou een tribunaal kunnen organiseren. Duidelijke uitspraken doen, fouten erkennen, de waarheid boven tafel krijgen. Nederland heeft om mercantiele redenen heel veel onder het tapijt geveegd. Heeft nauwelijks met Duitsland onderhandeld en heeft genoegen genomen met 4% van de totale claim voor herstel.

Duitsland heeft een ereplicht om zijn schuld aan de verwoesting van Rotterdam officieel te erkennen en alsnog te compenseren. Er zou een monument kunnen komen. Met geld uit Duitsland. Dat zou mooi zijn, zinvol, vooral ook voor latere geslachten.

De laatste jaren voel ik me in Rotterdam niet meer zo beklemd. Langzaamaan komt er meer liefde voor het verleden. Je moet je durven herinneren en de schaarse plekken van herinnering in ere houden. Het is heel goed dat de brandgrens nu aandacht heeft gekregen. Ik ben als kind door puinvlaktes en uitgebrande treinen gestempeld voor het leven.

 

Was wat je nu vertelt de drive om samen met Armando De SS’ers te schrijven?

Daarin hebben oorlogservaringen zeker een rol gespeeld. Wij zijn twee jaar lang op zoek geweest naar ‘wat lammeren kan veranderen in tijgers’. Ofwel wat de Nederlandse vrijwilligers die zich hadden gemeld voor de Waffen SS – het leger dat de geschiedenis inging als de maffia van de Tweede Wereldoorlog – voelden en dachten. Daar waren we nieuwsgierig naar. Het boek beleefde vijf drukken, de eerste in 1967; de zesde druk staat op stapel [2012]. Toen was het not done om SS’ers aan het woord te laten. En de overtuigingen van die zeven gestrafte en gehate mannen en een vrouw bleken ook nog eens onveranderd. Voor onwetendheid koop je niks.

 

Hoe kijk je aan tegen de etnische verandering van de stad?

Je ziet mensen zich aanpassen aan de stad. De stad is altijd sterker dan de mens. De nieuwe Rotterdammer heeft vele gezichten, maar zijn mentaliteit is Rotterdams. Er is meer kennis van elkaars achtergronden en geschiedenis nodig. Daarmee kweek je wederzijds respect. De schepping van het moderne Europa bijvoorbeeld is te danken aan de islam, maar wie weet dat? Ik heb natuurlijk makkelijk praten. Ik zit een groot deel van het jaar in mijn boerenstulp in Normandië, vanwege de stilte, en schrijf nu en dan iets op.

 

Wat schrijven betreft ben je wel een duizendpoot.

Dat klopt. Ik heb altijd mijn brood verdiend in de journalistiek en de uitgeverij. Maar daarnaast van alles geschreven en georganiseerd op letterengebied. Het idee voor Hollands Diep, een actueel cultureel blad, komt oorspronkelijk ook uit mijn koker. Dat weet bijna niemand.

Een serieus, opiniërend stadsmagazine zou overigens in Rotterdam niet misstaan. Zeker gezien de sterk veranderde samenstelling van de bevolking. Een stad heeft een voedingsbodem nodig om het geestelijk verkeer te stimuleren. Rotterdam had na de oorlog heel lang geen verhaal, afgezien van het gigantisme: de grootste, de hoogste, je kent het wel. Er is hier een groeiend zelfbewustzijn, maar weinig glamour.

Rotterdam laat me niet los. In 2004 verscheen mijn tweede dichtbundel Vermiste stad, een verzameling Rotterdamse kwatrijnen. En dit jaar [2008] de door mij samen met Martin Bril geredigeerde verzamelde poëzie van Cor Vaandrager, Made in Rotterdam. Cor was de meest opvallende schrijver van onze groep. Een Rotterdams fenomeen. Helaas de enige die niet meer leeft. En het is hartverwarmend om te zien hoe levend zijn poëzie is gebleven. Ook voor de huidige generatie.

Momenteel werk ik aan een tekst over Hans Verhagen. Hij zou de P.C. Hooftprijs moeten krijgen, vind ik [aan hem toegekend voor 2009]. Daarna moet ik door met mijn eigen memoires. Ik heb altijd respect gehad voor iedereen die kan schrijven en dat goed doet.

 

Bestemd voor: Rotterdam Vandaag en Morgen, 2008. Ongepubliceerd wegens staking van dit periodiek.

 

 

© 2004 Kaplan
© 2004 Kaplan