Wat  voorafging

 

Mijn vader stierf toen hij 52 was en ik zes-

tien. Ter nagedach-

tenis van hun over-

leden 1e fluitist speelde het Rot-

terdams Kamer-

orkest Ases Tod van Grieg. Trage treur-

muziek, wegstervend in een stilte als van het graf. Na afloop van het concert liepen we zwijgend door de platgegooide stad naar huis, mijn moeder en ik. Een grijze zondagmiddag, maart 1951.


Om zijn muzikale scholing te voltooien was Cor eind jaren ‘20 naar Berlijn getrokken. De gierende inflatie in de Weimarrepubliek maakte de harde Hollandse guldens die hij voor dat doel had gespaard, een veelvoud waard. Hij blonk uit. Zijn leermeester droeg een fluitconcert aan hem op. Maar op de klassieke podia was voor jonge musici in de crisisjaren weinig emplooi.

Wel in de lichte muziek. De jazz veroverde de danspaleizen, waar zwarte solisten uit Amerika triomfen vierden. Bij een van hen bekwaamde hij zich op klarinet en saxofoon. Al snel volgde het ene engagement bij een big band na het andere. Hoe vaak heb ik op filmbeelden swingende saxsecties niet de blits zien maken, in glitterpakken zwaaiend met hun goudkleurige Selmer''s. Voor zo’n narrenrol was hij niet in de muziek gegaan, begreep ik later.

 

Op tournee leerde hij in Hamburg mijn moeder kennen, een energieke blondine. Hij zag het bruine gevaar en wilde uit Duitsland weg. De levenslustige Emmy schrok niet terug voor de toekomst in een vreemd land, evenmin als voor het ongewisse artiestenbestaan. Niet lang na Hitler’s machtsovername in ’33 vestigde het paar zich in de stad waar hij vandaan kwam. In Rotterdam zijn ze getrouwd.

Ik zag er het levenslicht op 22 september 1935. Tot mijn vroegste herinneringen behoort de vuurstorm na het bombardement in mei ’40. Een laaiende gloed kleurde de lucht boven het Kralingse Bos, waar we een goed heenkomen hadden gezocht.

Een paar dagen later mocht ik achterop de fiets met mijn vader mee. Hij liet me de smeulende puinhopen zien. De Willemsbrug met her en der gesneuvelde militairen. Ik kokhalsde van de stank van verbrand vlees en mensenhaar.

 

In de oorlogsjaren zag ik hem weinig. Hij wilde zich niet aansluiten bij de Kultuurkamer en had geen werk. Mijn moeder kwam er alleen voor te staan. Ik werd afwisselend ondergebracht bij mijn grootmoeder in Kralingen, een boerengezin in Brabant, een textielfabrikant in Culemborg, een pension in Ommen: als de kleine maar goed te eten krijgt. Om die reden bracht ik de hongerwinter met moeder door bij familie op het platteland in de buurt van Bremen.

Na de Duitse capitulatie repatrieerden we als displaced persons langs geallieerde vluchtelingenkampen. Vader, net te oud voor tewerkstelling in Duitsland, had in de oorlog op het huis gepast en Frans gestudeerd. Een geëmailleerd bord naast de deur meldde zijn lesbevoegdheid.

Emmy begon in huis een pension. Cor verkaste naar elders, al kwam hij geregeld over de vloer. Soms bleef hij in het weekend slapen. Dan werd ik ’s zondags gewekt door klaterende fluitsolo’s en toonladders waarmee hij zijn vingers lenig hield. In de klassieke muziek, die zijn hart had, moet hij troost hebben gevonden.

 

© 2004 Kaplan
© 2004 Kaplan