Hoe ik de poëzie ontdekte

 

Als jongen van twaalf sliep ik in een tussen-

kamer, links en rechts door schuifdeuren gescheiden van de voor- en achterkamer.

Die twee had mijn moeder verhuurd. De schuif-

deuren waren, bij wijze van geluidsisolatie, aan weerszijden betimmerd met zachtboard. Frisse lucht had alleen overdag toegang door de kamerdeur, die uitkwam op de gang. ’s Zomers was het in dit bedompte slaapvertrek vaak niet om uit te houden.

Een keer werd ik midden in de nacht wakker, badend in het zweet. Ik schreef mijn toestand toe aan de hitte en wilde doorslapen, toen ik mij als in een draaikolk voelde meegezogen. Even later suisde ik met duizelingwekkende snelheid door een inktzwart heelal, de oneindigheid in, de onbegrensde vrijheid tegemoet.

Nooit ben ik zo verrukt en van ontzetting vervuld geweest als in die nacht. ‘Je hebt uren liggen ijlen’, zei mijn moeder tegen de morgen. Ze depte mijn voorhoofd met een washandje. ‘Over de veertig had je.’

Wat er ook uit mijn herinnering is verdwenen, deze koortsdroom heeft een onuitwisbare indruk achtergelaten. Ik had een glimp opgevangen van de schrikwekkende leegte die ons omgeeft. Ik wist nu dat je, liggend op bed, oceanen kon overbruggen in ruimte en tijd. En ik was speelbal geweest van een onbegrijpelijk lot – ook al gebruikte ik zulke woorden toen niet.

 

In de jaren die volgden, werd ik, met steeds kortere tussenpozen, overvallen door het soort verveling waarvoor geen reden is aan te wijzen. Alles trok mij even veel en even weinig. Niets kon mij tevreden stellen. Op mijn zestiende begon ik gedichten te schrijven. Ik maakte prompt de fout die menigeen op die leeftijd begaat om, hoe zal ik het zeggen, het onmetelijke te willen omvamen. Zelden komt daar iets van terecht. Zo ook in mijn geval.

Eén ding had ik tenminste in de gaten gekregen: dat je door een daad van dichterlijke willekeur kunt ontsnappen aan de alledaagse bekrompenheid van het leven. De gangbare mening wil dat dichters het patent op dit poëtische principe bezitten. Niets is minder waar. Talloos zijn de dichters zonder oeuvre. Altijd en overal weten mensen de omstandigheden het hoofd te bieden door zich er in stilte, woordeloos, boven te plaatsen. Hen verschijnt op zulke ogenblikken de wereld in een wonder licht, al hebben zij meestal wel iets beters te doen dan er ophef van te maken.

 

Er zijn graden van geestdrift. De koortsachtige opwinding die mij als jongen, zonder dat ik het wist, tot de poëzie bekeerde, heeft zich nooit herhaald. De herinnering eraan is mijn toetssteen. Dichten kun je om een aantal redenen: om lof en eer te behalen, om vrouwen te veroveren, en uit inspiratie. De weinige gedichten die ik heb geschreven, zijn zonder uitzondering bij ingeving ontstaan. Blijft de inspiratie weg, dan doe ik er het zwijgen toe. Dit is mijn manier van werken. En tot de galeislaven van het woord zeg ik: ‘Dames en heren, de momenten dat we echt leven zijn schaars.’

 

(1984)

© 2004 Kaplan
© 2004 Kaplan